De Putt

Ogenlijn boven of een fractie binnen de ballijn en de nekwervels horizontaal met het gras Schoenen schouderbreedte, of iets breder, en de bal ligt onder het linkeroog
Bij korte putts beweegt de putter recht naar achter en recht naar voren Rustig tempo net als bij een klepel van een friese staartklok
Hele lichte versnelling door de bal. De doorzwaai is dus iets langer dan de achterzwaai ( vergelijk plaatje 4 en 8 ) Y-vorm die de armen en de putter maken blijft hetzelfde als in de beginstand ( zie plaatje 1 )
Putterhoofd wijst richting het doel; dit hoeft dus niet de hole te zijn Blijf naar de plek kijken waar de bal heeft gelegen